Academische Vaardigheden Sociale Geografie en Planologie

Data verzameling en methoden

Wat zijn de meest passende methoden en analyse-strategieën om jouw onderzoeksvraag te beantwoorden? We behandelen methoden en analyse in dit Handboek los van elkaar, maar in de praktijk zul je hier tegelijkertijd over moeten nadenken. Je keuze zal namelijk afhangen van het type data waar je naar op zoek bent en wat je onderzoekseenheden zijn.

Er zijn veel verschillende methoden om data te verzamelen. Hier bespreken we de meest gangbare methoden binnen de sociale geografie en planologie. Dit is dus geen definitieve of uitputtende lijst. Bedenk voor je eigen onderzoek wat je precies te weten wil komen en waarom. Op basis van die informatie kun je de volgende tabel gebruiken om je te helpen in je keuze voor de geschikte methoden. Er is een pagina voor elke methode met wat korte informatie. Zie dit als een startpunt en zoek vooral terug naar relevante literatuur per methode in BA en MA vakken die je hierover al gevolgd hebt.

Onderzoeksmethode Type Data Data Analyse Doel
Kwantitatieve analyse van bestaande gegevens Secundaire data

·  Registraties en officiële statistieken

·  Surveys uit data-archieven

·  Geografische data

Statistische analyse

GIS

·  Overzicht krijgen over wat er speelt in een doelpopulatie

·  Inzicht krijgen in trends

·  (Statistische) relaties aantonen

·  Visualiseren en analyseren van ruimtelijke gegevens.

 

Grootschalig veldwerk Primaire data

·  Enquêtes (persoonlijk, telefonisch, zelfinvullijst)

 

Statistische analyse

 

·  Overzicht krijgen over wat er speelt in een doelpopulatie

·  Inzicht krijgen in trends

·  (Statistische) relaties aantonen

 

Interviews Primaire data

·  Ongestructureerd interview

·  Semigestructureerd interview

 

Thematische analyse

Grounded theory

Interpretatieve FenomenologisAnalyse (IFA)

Narratieve analyse

 

Inzicht krijgen in perspectieven, meningen, ervaringen en motivaties van onderzoeksparticipanten
Focusgroepen Primaire data Thematische analyse

Grounded theory

Zelfde als bij individuele interviews. Bij focusgroepen ben je daarnaast geïnteresseerd in hoe mensen op elkaars meningen reageren en hoe er een gezamenlijk beeld ontstaat uit de interactie binnen de groep.
Expertinterviews Primaire data Thematische analyse Het doel is om vanuit de expertise van de geïnterviewde diepere inzichten, achtergrondinformatie of verklaringen te krijgen die je niet uit teksten of enquêtes kunt halen.
Gestructureerde observatie Primaire data

·  Statistische observaties

·  Dynamische observaties

In beide gevallen op basis van een observatieschema.

Statistische analyse (meestal gaat het niet verder dan tellen) Inzicht krijgen in zichtbaar, telbaar gedrag of ruimtelijk gebruik van een plek.

Geschikt wanneer je frequenties, patronen of vergelijkingen wilt vastleggen.

 

Etnografisch onderzoek

(participerende observatie)

Primaire data

·  Participerende observatie

·  Interviews (van small talk tot formele interviews)

Thematische analyse

Grounded theory

 

· Exploratief onderzoek: inzicht krijgen in groepen of verschijnselen waarover weinig bekend is

· Inzicht krijgen in bv. informele structuren, machtsverhoudingen, sociale netwerken, binding aan plaatsen

Inhoudsanalyse

(Contentanalyse)

Secundaire data

·  Kranten en tijdschriften

·  Boeken

·  Toespraken en interviews

·  Websites en sociale media

·  Foto’s en films

Analyse kan zowel kwantitatief worden gedaan (frequenties tellen) als kwalitatief (gericht op interpreteren en begrijpen) Inzicht krijgen in het doel, de boodschap en het effect van communicatie.
Discoursanalyse Secundaire data

·  Kranten en tijdschriften

·  Beleidsrapporten

·  Toespraken en interviews

·  Websites en sociale media

Discoursanalyse Inzicht krijgen in hoe taal gebruikt wordt om de werkelijkheid te construeren, betekenissen te geven en machtsverhoudingen te beïnvloeden.
Participatieve methoden Primaire data

·  Participatory action research

·  Participatieve kaartvorming

·  Co-creatie sessies

Kwalitatieve datanalyse

·  Thematische analyse

·  Grounded Theory

·  Benutting lokale kennis

·  Perspectieven en ervaring van onderzoeksgroep centraal stellen. Lokale kennis benutten

·  Complexe vraagstukken beter begrijpen

·  Empowerment van lokale bewoners of belanghebbenden

Visuele methoden Primaire data

·   Photo elicitation

·   Walk along

·   Photo voice

·   Mental mapping

Kwalitatieve datanalyse

·   Thematische analyse

·   Grounded Theory

Visuele methoden stellen onderzoekers in staat om ervaringen van deelnemers beter te begrijpen, omdat beelden vaak aspecten oproepen die moeilijk onder woorden te brengen zijn.

 

 

Tegenwoordig kun je veel data hergebruiken, van kwantitatieve datasets tot interviewtranscripten. Onderzoekers stellen steeds meer gegevens beschikbaar voor hergebruik en slaan deze op volgens de FAIR-principes: Findable, Accessible, Interoperable and Reusable. Open data wordt daarmee steeds meer de standaard in onderzoek en het aantal beschikbare databronnen groeit snel. Dit leidt niet alleen tot efficiënter gebruik van onderzoeksgegevens die vaak met publieke middelen zijn verzameld, maar helpt ook om ‘over-onderzoek’ van bepaalde doelgroepen en plekken te voorkomen.

Het is waardevol dat er zoveel data beschikbaar zijn en dat daar dagelijks nieuwe gegevens bijkomen. Dat past bij het principe van ‘open science’, waarin onderzoekers kennis en onderzoeksgegevens met elkaar delen. Maak echter niet de denkfout dat het gebruik van secundaire data eenvoudig is. Je moet kritisch beoordelen of de beschikbare gegevens geschikt zijn voor jouw onderzoeksvraag. Vaak vraagt het gebruik van secundaire data bovendien om creativiteit, bijvoorbeeld omdat je verschillende databronnen moet combineren of bestaande gegevens moet bewerken om ze relevant te maken voor jouw onderzoeksvraag.

Hieronder bespreken we kort de belangrijkste aandachtspunten bij het werken met open data.

Wanneer je een dataset gevonden hebt die mogelijk relevant is voor jouw onderzoek, doorloop je drie stappen voordat je deze daadwerkelijk kunt gebruiken:

Evalueer de geschiktheid van de dataset – De eerste vraag die je jezelf stelt, is of de data die je hebt gevonden antwoord kunnen geven op je onderzoeksvragen. Alleen jij kunt die vraag beantwoorden. Daarvoor moet je precies nagaan welke gegevens de dataset bevat en in hoeverre deze aansluiten bij je onderzoeksvragen. Het kan zijn dat de dataset slechts een deel van je vragen kan beantwoorden. Vermijd daarom de verleiding om je onderzoeksvragen aan te passen aan de beschikbare data. Zorg er steeds voor dat je onderzoek theory-driven is en niet data-driven.

Evalueer de betrouwbaarheid van de dataset – Je kunt niet zomaar aannemen dat beschikbare data ook betrouwbaar is. De gegevens zijn mogelijk niet accuraat verzameld, of de samensteller kan bevooroordeeld zijn. Er zijn verschillende aspecten waaraan je de betrouwbaarheid van een secundaire dataset kunt toetsen. Deze aandachtspunten zijn ook nuttig wanneer je informatie uit (sociale) media in het dagelijks leven beoordeelt. Bekijk daarom de bron en de totstandkoming van de data gedetailleerder als je twijfelt aan de betrouwbaarheid.

Evalueer of het gebruik van de data ethisch is – Ook als je relevante en betrouwbare data hebt gevonden, moet je nadenken over de ethische aspecten van het hergebruik ervan. Deze spelen vaak een grotere rol bij kwalitatieve dan bij kwantitatieve data. Twee sleutelbegrippen bepalen vanuit ethisch oogpunt in belangrijke mate of je primaire kwalitatieve data opnieuw kunt gebruiken: geïnformeerde toestemming (informed consent) en vertrouwelijkheid.Hieronder staat een overzicht van secundaire databronnen die door docenten en onderzoekers van het departement Sociale Geografie en Planologie gebruikt worden, en waarvan wij denken dat ze relevant en handig zijn voor onze studenten.

We onderscheiden in dit overzicht vijf soorten databronnen:

  1. Data repositories: dit zijn opslagplaatsen voor datasets. Een soort ‘database van databases’; waar dus allerlei verschillende datasets bij elkaar staan, klaar om te hergebruiken. Je vindt hier vaak zowel kwalitatieve als kwantitatieve data. De data zijn vaak afkomstig van allerlei verschillende onderzoekers of organisaties. Deze bronnen zijn goud waard- de paar repositories die hier genoemd worden bevatten honderdduizenden datasets.
  2. Internationale organisaties en statistische instituten hebben tot taak om data te verzamelen en beschikbaar te stellen. Je vindt hier een aantal veelgebruikte op een rij.
  3. Document archieven: dit zijn verzamelplaatsen waar gedigitaliseerde teksten worden aangeboden. Denk aan krantenarchieven, parlementaire archieven en archieven met beleidsstukken. Doordat er toponiemen worden gebruikt bieden ze, na wat bewerking, ook veel mogelijkheden voor zowel kwantitatief als kwalitatief geografisch onderzoek.
  4. Datasets: een op zichzelf staande dataset die ter beschikking is gesteld door een specifieke organisatie. Soms staan deze datasets ook al in een van de genoemde repositories en soms worden ze aangeboden door een reeds genoemd statistisch instituut of internationale organisatie, maar we vonden het nuttig om er een directe link naar te geven omdat deze veelgebruikt worden.
  5. Doorverwijspagina’s: tot slot een aantal pagina’s waar veel doorverwijzingen naar interessante datasets te vinden zijn.

Data repositories

Internationale organisaties en statistische instituten

Documenten archieven

Datasets

Doorverwijspagina’s:

Volgens Scheepers en Tobi (Onderzoeksmethoden, p. 159) gebruik je bij grootschalig veldonderzoek een onderzoeksontwerp waarin je als onderzoeker sociale verschijnselen beschrijft en verklaart door vragen te stellen aan een groot aantal mensen, die je respondenten noemt. Meestal doe je dit met een enquête (vragenlijst). Het is daarbij belangrijk dat je respondenten een zo goed mogelijke dwarsdoorsnede van de onderzoekspopulatie vormen. Daarom werk je meestal met een steekproef, bij voorkeur een kanssteekproef.

Als je een grootschalig veldonderzoek eenmalig uitvoert, spreek je van een cross-sectioneel onderzoek. Je kunt een dergelijk onderzoek ook regelmatig herhalen, bijvoorbeeld voor opinieonderzoek of monitors die gemeenten laten uitvoeren. Dit noem je een herhaald cross-sectioneel onderzoek. Bij een panelsurvey benader je steeds dezelfde respondenten opnieuw en stel je dezelfde vragen. Een panelsurvey heeft twee belangrijke voordelen ten opzichte van een herhaald cross-sectioneel onderzoek. Ten eerste kun je met een panelsurvey ontwikkelingen in de tijd beter analyseren. Bij een cross-sectioneel onderzoek vergelijk je immers verschillende groepen respondenten op verschillende momenten. Als de samenstelling van deze groepen verschilt, kun je niet goed bepalen of een verschil tussen twee meetmomenten het gevolg is van een ontwikkeling in de tijd of van verschillen tussen de respondentgroepen. Ten tweede heeft een panelsurvey een hogere interne validiteit. Omdat je dezelfde respondenten op verschillende momenten meet, kun je beter vaststellen of variabele A voorafgaat aan variabele B. Dit is een van de voorwaarden om een causale relatie aannemelijk te maken.

Je kunt een vragenlijst op verschillende manieren afnemen. Je kunt kiezen voor een persoonlijk interview, een telefonisch interview of een survey. Telefonische interviews worden steeds minder vaak gebruikt, terwijl surveys, vooral online, populairder worden. Als student van de Universiteit Utrecht kan je gratis gebruik maken van Qualtrics om enquêtes op te zetten, data te verzamelen, te verspreiden en antwoorden te analyseren, zie: Qualtrics – een enquêtetool – Studenten UU – Students UU. Veel andere software voor online enquêtes voldoet niet aan de privacywetgeving. Raadpleeg daarom altijd de richtlijnen van je onderwijsinstelling voordat je een online enquêtetool gebruikt.

Een belangrijk voordeel van een online vragenlijst is dat je tegen relatief lage kosten in korte tijd veel ingevulde vragenlijsten kunt verzamelen. Deze methode is echter minder geschikt voor lange vragenlijsten en kent doorgaans een lage respons. Persoonlijk afgenomen vragenlijsten scoren op deze punten juist beter.

Een vragenlijst voor grootschalig veldwerk is altijd gestructureerd. Dat betekent dat je een vaste lijst met vooraf opgestelde vragen in een vaste volgorde gebruikt. Alle respondenten krijgen dezelfde vragen op dezelfde manier. Meestal zijn (vrijwel) alle vragen in de vragenlijst gesloten. Een gestructureerde vragenlijst heeft als voordeel dat je de antwoorden goed met elkaar kunt vergelijken en statistisch kunt analyseren. De antwoorden kan je bovendien makkelijk coderen (bij een online enquête komen ze direct in een database te staan). Een gestructureerde vragenlijst is relatief snel en eenvoudig af te nemen, waardoor je veel respondenten kunt bereiken De gestandaardiseerde opzet verkleint bovendien het risico op vertekening of suggestieve vragen.

Een nadeel is dat een gestructureerde vragenlijst weinig ruimte biedt voor diepgang. Respondenten kunnen hun antwoorden meestal niet uitgebreid toelichten en je kunt als interviewer minder gemakkelijk inspelen op interessante zijpaden of onverwachte thema’s. Voor complexe of gevoelige onderwerpen zijn semi-gestructureerde of ongestructureerde interviews daarom vaak een beter alternatief. Bij persoonlijk afgenomen vragenlijsten bestaat bovendien een groter risico op sociaal-wenselijke antwoorden. Bij online vragenlijsten is het risico op response bias juist groter. Respondenten kunnen de vragenlijst bijvoorbeeld te snel invullen en overal hetzelfde antwoord geven zonder de vragen goed te lezen.

Voor het opstellen van een vragenlijst bestaan veel lijstjes met do’s & don’ts (zie bijvoorbeeld hoofdstuk 5 van Onderzoeksmethoden van Scheepers en Tobi). De belangrijkste tip is echter: probeer niet zelf het wiel uit te vinden. Maak waar mogelijk gebruik van vragen die andere, ervaren onderzoekers al hebben ontwikkeld en getest. Zo vergroot je de kwaliteit en vergelijkbaarheid van je vragenlijst.

Interviewen is een vorm van dataverzameling waarbij door middel van een gesprek informatie verzamelt over de beleving, ervaring, mening of betekenisgeving van de geïnterviewde rond een bepaald onderwerp. Je operationaliseert de concepten uit je onderzoek en vertaalt deze naar toegankelijke interviewvragen die aansluiten bij je onderzoeksvragen. Er zijn verschillende typen interviews.

Kwalitatieve interviews verschillen sterk van interviews binnen kwantitatief onderzoek. In kwantitatief onderzoek structureer je de aanpak sterk om de betrouwbaarheid en validiteit van de meting van kernconcepten te maximaliseren. Je kunt bijvoorbeeld gebruikmaken van gestructureerde interviews, waarbij je een duidelijk afgebakende set onderzoeksvragen hebt en de interviewvragen daar direct aan koppelt. Je ontwerpt het gestructureerde interview zo dat je precies deze onderzoeksvragen kunt beantwoorden. Je houdt je tijdens het interview zo veel mogelijk aan de vooraf opgestelde vragen en volgt een vaste volgorde. Door alle geïnterviewden op dezelfde manier te interviewen, vergroot je de betrouwbaarheid en validiteit van de interviews.

In kwalitatief onderzoek ligt de nadruk op het perspectief van de respondent en ben je als onderzoeker geïnteresseerd in rijke en gedetailleerde antwoorden. Daardoor zijn kwalitatieve interviews vaak flexibel: je kunt inspelen op de richting die de geïnterviewde aan het gesprek geeft en de accenten van je onderzoek aanpassen wanneer tijdens de gesprekken belangrijke kwesties naar voren komen.

We maken een onderscheid tussen ongestructureerde en semi-gestructureerde interviews. Bij een ongestructureerd interview gebruik je hooguit een geheugensteun met enkele kernpunten of thema’s. Soms stel je slechts één vraag, waarna de geïnterviewde vrij kan antwoorden. Vervolgens reageer je op interessante punten en vraag je door om deze verder uit te diepen. Ongestructureerde interviews lijken daardoor vaak sterk op een gewoon gesprek. Deze vorm vraagt echter veel van de interviewer en is daarom minder geschikt voor onderzoekers met weinig onderzoekservaring (Burgess 1984).

Voor studenten is een semi-gestructureerd interview daarom meestal een betere keuze. Daarbij werk je met een lijst van vragen of specifieke thema’s die je tijdens het interview aan bod wilt laten komen. Deze lijst wordt vaak aangeduid als een interview guide of topiclist. Een topiclist bevat de onderwerpen en eventueel subonderwerpen die je tijdens het interview wilt bespreken. Je probleemstelling vormt daarbij het uitgangspunt. Zoek naar een logische structuur en denk vooraf na over de volgorde waarin je je onderwerpen en vragen aan bod wilt laten komen.

Hoewel je het interview met een vaste structuur voorbereidt, geef je de geïnterviewde veel ruimte om antwoorden naar eigen inzicht te formuleren. Je hoeft de vragen niet precies in de volgorde van de topiclist te stellen en kunt nieuwe vragen toevoegen op basis van wat de geïnterviewde vertelt. Over het algemeen stel je bij verschillende respondenten wel dezelfde kernvragen en gebruik je daarbij een vergelijkbare formulering. Zo combineer je de flexibiliteit van kwalitatief onderzoek met voldoende structuur om de interviews onderling te kunnen vergelijken.

Andere voorbeelden van interviews zijn onder andere een expert interview, een levensloopinterview of een passanteninterview (straatinterview).

Een expertinterview is een interview waarbij je in gesprek gaat met iemand die veel kennis of ervaring heeft over een bepaald onderwerp, probleem of vakgebied. Het doel is om vanuit de expertise van die persoon diepere inzichten, achtergrondinformatie of verklaringen te krijgen die je niet zomaar uit boeken, artikelen of enquêtes kunt halen. Bij het interviewen van experts moet je wel bedenken dat hun visie gekleurd zijn door persoonlijke ervaring of belangen. Een expert kan een eigen agenda hebben (bijvoorbeeld commercieel of politiek belang), wat de objectiviteit van de antwoorden kan beïnvloeden. Ze gebruiken soms vakjargon of technische termen die voor de interviewer lastig te begrijpen zijn, wat de analyse ingewikkeld kan maken. Een ander nadeel is het risico van ‘overonderzoek’, waardoor ze minder snel bereid zijn om mee te doen. Experts hebben het vaak druk en zijn vaak ook moeilijk te bereiken, waardoor het plannen van interviews lastig kan zijn.

In een levensloopinterview (life history method) vertelt de geïnterviewde (vrij) een verhaal over zijn of haar leven, ervaringen of gebeurtenissen. Deze methode wordt toegepast om inzicht te krijgen in persoonlijke geschiedenissen in relatie tot plaats en ruimte. De data die deze interviews opleveren worden doorgaans gebruikt in een narratieve analyse.

Een passanteninterview of straatinterview, is een interview dat wordt afgenomen bij mensen ,oftewel “passanten”, die toevallig op een bepaalde plek aanwezig zijn. Respondenten worden direct benaderd, bijvoorbeeld op straat, in een park, winkelgebied, station of bij een evenement. Het doel is meestal om snel inzicht te krijgen in meningen, ervaringen, gedrag of bewegingen van mensen op een specifieke locatie. Een nadeel van deze methode is dat je een selecte groep krijgt. Je spreekt alleen mensen die op dat moment aanwezig zijn op de locatie. Mensen die bijvoorbeeld thuisblijven of op een ander moment komen, worden niet meegenomen. Passanteninterviews zijn vaak kort (5–10 minuten), waardoor je weinig diepgang krijgt in antwoorden of motivatie van respondenten.

Wanneer heb je voldoende interviews afgenomen?

Er is geen vast aantal interviews dat je voor elk onderzoek moet afnemen. In het algemeen kun je de dataverzameling stoppen wanneer je een punt van verzadiging bereikt. Na hoeveel interviews dat gebeurt, verschilt per onderzoek. Je hebt een punt van verzadiging bereikt wanneer de antwoorden van je respondenten geen nieuwe informatie meer opleveren over je onderzoeksonderwerpen en de informatie zich begint te herhalen.

Houd er wel rekening mee dat een selectiebias ervoor kan zorgen dat je ten onrechte denkt dat je verzadiging hebt bereikt. Als je bijvoorbeeld bepaalde typen respondenten niet hebt geïnterviewd, kunnen er nog relevante perspectieven ontbreken. Denk daarom kritisch na over de samenstelling van je respondentgroep. Ook de rol van interviews binnen je onderzoek is van belang. Zijn interviews je belangrijkste dataverzamelingsmethode of gebruik je ze als aanvulling op andere methoden? Voer je expertinterviews uit of interview je mensen die zelf tot je onderzoekseenheden behoren? Tot slot bepalen ook praktische factoren, zoals de beschikbare tijd en middelen, hoeveel interviews je daadwerkelijk kunt afnemen.

Een focusgroep is een vorm van kwalitatief onderzoek waarbij je een kleine groep mensen, meestal 6 tot 10 deelnemers, samenbrengt om te praten over een bepaald onderwerp. Een moderator begeleidt het gesprek, stelt vragen en leidt de discussie in goede banen. Het doel van een focusgroep is inzicht krijgen in de meningen, ervaringen, motivaties en gevoelens van deelnemers.

Het belangrijkste verschil tussen een focusgroep en een individueel interview is de groepsdynamiek. Deelnemers reageren op elkaars ideeën, vullen elkaar aan of spreken elkaar tegen. Juist deze interactie kan extra inzichten opleveren die je in individuele interviews minder snel krijgt. Een nadeel is dat sommige deelnemers dominant kunnen zijn, terwijl anderen zich juist minder vrij voelen om hun mening te geven. Focusgroepen zijn daarom minder geschikt voor zeer persoonlijke of gevoelige onderwerpen.

De term focusgroep wordt vaak verward met groepsinterview. Er zijn echter enkele belangrijke verschillen:

  • Focusgroepen leggen de nadruk op een specifiek thema of onderwerp dat diepgaand wordt onderzocht, terwijl groepsinterviews veel breder van opzet zijn.
  • Groepsinterviews worden soms uitgevoerd zodat de onderzoeker tijd en geld kan besparen door meerdere personen tegelijk te interviewen. Focusgroepen worden echter niet om die reden georganiseerd.
  • Bij een focusgroep ben je als onderzoeker niet alleen geïnteresseerd in de individuele opvattingen van deelnemers, maar vooral in de manier waarop zij een vraagstuk als groep bespreken. Je kijkt bijvoorbeeld naar hoe deelnemers op elkaars meningen reageren, elkaar aanvullen of tegenspreken en hoe tijdens de interactie een gezamenlijk beeld of gedeelde betekenis ontstaat.

Gestructureerde observatie is een onderzoeksmethode waarbij je systematisch en volgens een vooraf opgesteld schema observeert wat er gebeurt in een bepaalde situatie. In plaats van vrij te noteren wat opvalt (zoals bij participerende of open observatie), werk je met een observatieschema of checklist waarin precies staat welke gedragingen, gebeurtenissen of kenmerken moeten worden waargenomen en geregistreerd. Je kunt kiezen voor een statische en/of een dynamische observatie. Bij een statische observatie observeer je een stilstaande of vaste situatie. De focus ligt op ruimtelijke kenmerken, inrichting of aanwezigheid van objecten of persoonlijke kenmerken. Bij een dynamische observatie observeer je beweging, processen en interacties over een bepaalde periode en op een bepaalde plaats.

Ben je bijvoorbeeld geïnteresseerd in het gebruik van een stadspark, dan kun je bij een statische observatie op een vast moment kijken naar de aanwezige voorzieningen, zoals het aantal bankjes, prullenbakken en speeltoestellen, en naar de groepen mensen die op dat moment op verschillende plekken aanwezig zijn. Bij een dynamische observatie observeer je hoe mensen het park gebruiken gedurende een periode van de dag (wandelen, zitten, spelen, ontmoeten) en bekijk je welke interacties er ontstaan tussen (groepen) mensen.

De begrippen etnografie en participerende observatie worden vaak door elkaar gebruikt Beide verwijzen naar een onderzoeksbenadering waarbij je je als onderzoeker gedurende langere tijd onderdompelt in een groep of sociale omgeving. Je observeet gedragm volgt gesprekken en stelt vragen aan de mensen die je onderzoekt.

De term etnografie krijgt soms de voorkeur, omdat participerende observatie de indruk kan wekken dat je enkel observeert. In de praktijk combineer je participerende observatie vaak met interviews, documentanalyse en andere vormen van dataverzameling. Daarnaast kan etnografie specifiek verwijzen naar onderzoek waarbij participerende observatie centraal staat en de cultuur van de onderzochte groep de belangrijkste focus vormt. Tot slot verwijst etnografie niet alleen naar een onderzoeksbenadering, maar ook naar het uiteindelijke schriftelijke verslag van het onderzoek.

Volgens Bryman (2012 in Social Research Methods 4th edition, p. 432) is etnografie een onderzoeksmethode waarbij de onderzoeker:

  • Zich voor een langere periode onderdompelt in een sociale omgeving (bijvoorbeeld een dorp, buurt, school of bedrijf)
  • Het gedrag van de leden van die omgeving observeert;
  • Luistert naar en deelneemt aan gesprekken;
  • Informanten interviewt over onderwerpen die niet direct waarneembaar zijn of waarover de etnograaf onduidelijkheid heeft
  • Documenten verzamelt over de groep;
  • Een begrip ontwikkelt van de cultuur van de groep en het gedrag van mensen binnen de context van die cultuur;
  • Een gedetailleerd verslag van die omgeving schrijft.

Het gedetailleerde verslag van een etnografisch onderzoek wordt vaak een rijke beschrijving (thick description) genoemd. In een rijke beschrijving geef je gebeurtenissen en ervaringen gedetailleerd weer en plaats je patronen van culturele en sociale interacties in hun context. Je schrijft zo dat de lezer zich een goed beeld kan vormen van de onderzochte situatie en zich als het ware in de beschreven context kan verplaatsen.

Als etnografisch onderzoeker breng je veel tijd door ‘in het veld’. Je kunt dus bijvoorbeeld een periode in een buurt wonen of in een bedrijf werken dat centraal staat in je onderzoek. Als observator maak je deel uit van de context waarin je het gedrag van mensen bestudeert. Daarom is een reflexieve houding belangrijk. e bent zelf een belangrijk instrument in het onderzoeksproces en moet goed nadenken over je positie (positionaliteit) in het veld en over de manier waarop die positie de verzameling en interpretatie van je data kan beïnvloeden.

Etnografisch onderzoek vraagt doorgaans om een langdurige en intensieve betrokkenheid bij het veld. Daarom is een volledige etnografie meestal niet geschikt voor een bacheloronderzoek met een beperkte onderzoeksperiode en voor studenten die nog geen ervaring hebben met deze methode. In een masteronderzoek kan etnografisch onderzoek, afhankelijk van de onderzoeksvraag, beschikbare tijd en ervaring van de onderzoeker, wel een geschikte onderzoeksbenadering zijn.

Een belangrijke ethische richtlijn van de Antropologen Beroepsvereniging is open optreden (overt). Dit betekent dat je de mensen die je tijdens je onderzoek tegenkomt laat weten dat je onderzoeker bent en hen om toestemming vraagt om hen te bestuderen. Aan een verhuld optreden (covert) kleven belangrijke ethische bezwaren, omdat hierbij sprake is van een vorm van misleiding. In uitzonderlijke gevallen kan een ethische commissie toestemming geven voor een verhulde onderzoeksrol, maar voor een bacheloronderzoek is dit geen optie.

Participatieve methoden betrekken lokale bewoners of andere belanghebbenden actief bij het onderzoeksproces. Het gaat daarbij vaak om samenwerking, co-creatie en het delen van zeggenschap over de productie van kennis. Participatief onderzoek is vaak gericht op empowerment: deelnemers krijgen meer zeggenschap over het onderzoek, kunnen nieuwe vaardigheden ontwikkelen en kunnen vanuit het onderzoek bijdragen aan verandering. Je verzamelt de data vaak op creatieve en interactieve manieren, waarbij deelnemers actief betrokken zijn bij het onderzoeksproces.

Enkele voorbeelden van participatieve methoden zijn: Participatory Action Research (PAR), participatieve kaartvorming en co-creatiesessies

Participatory Action Research (PAR) is een onderzoeksbenadering waarbij onderzoekers en deelnemers (bijvoorbeeld burgers, werknemers, studenten of bewoners) samen onderzoek doen naar een probleem dat hen direct aangaat, met als doel zowel nieuwe kennis opdoen als verandering teweeg te brengen. PAR werkt vaak in cycli waarin vier fasen worden doorlopen: 1) Plannen (probleem en doelen samen vaststellen), 2) Handelen (interventie of actie uitvoeren), 3) Observeren (effecten en ervaringen verzamelen), 4) Reflecteren (samen evalueren en leren, en een volgende cyclus starten).

PAR vraagt om een intensieve samenwerking tussen onderzoeker en deelnemers en is daarom niet voor elk onderzoek geschikt. Voor een bacheloronderzoek met een beperkte looptijd en weinig ervaring met participatieve methoden is een volledige PAR-cyclus doorgaans niet haalbaar. Bespreek daarom altijd met je begeleider of deze methode past bij je onderzoeksvraag, beschikbare tijd, ervaring en mogelijkheden voor samenwerking met deelnemers.

Participatief karteren (participatory mapping) is een methode waarbij mensen samen een kaart maken van hun leefomgeving, vanuit hun eigen perspectief, kennis en ervaringen. Het wordt vaak gebruikt in processen rond gebiedsontwikkeling, ruimtelijke ordening, natuurbescherming, stedelijke planning, erfgoed of gemeenschapsprojecten. Vaak wordt participatieve kaartvorming ondersteund door creatieve werkvormen: grote papieren kaarten waarop gekleurd wordt, digitale interactieve kaarten (GIS), of zelfs 3D-maquettes. De kaarten dienen als hulpmiddel om gesprekken te structureren, meningen zichtbaar te maken en gezamenlijke inzichten te ontwikkelen. Experts (zoals planologen, geografen of ontwerpers) werken met bewoners en/of andere belanghebbenden samen, waarbij de kennis van de gemeenschap centraal staat (bijvoorbeeld over gebruik van ruimte, betekenisvolle plekken, problemen of kansen).

Zie voor een voorbeeld: Hoe digitale tools biodiversiteit voor bewoners concreet maken – Gebiedsontwikkeling.nu

Een co-creatie sessie is een bijeenkomst waarin verschillende betrokkenen (bijvoorbeeld bewoners, gebruikers, ontwerpers, beleidsmakers, ondernemers) samen ideeën bedenken, uitwerken of testen om tot een gezamenlijk resultaat te komen. In tegenstelling tot traditionele besluitvorming of consultatie, waar experts een plan maken en bewoners achteraf mogen reageren, draait co-creatie om gelijkwaardigheid en samenwerking vanaf het begin. Er wordt doorgaans gewerkt met interactieve en creatieve werkvormen, zoals brainstorms, kaartspellen, of scenario-oefeningen.

Vaak gebruik je foto’s en kaarten in een artikel of thesis ter illustratie van de tekst, maar ze kunnen ook bijdragen aan de productie van geografische kennis. Visuele methoden kunnen nieuwe inzichten opleveren over de relatie tussen mensen, ruimte en plaats. Ze stellen je als onderzoeker in staat om ervaringen van deelnemers beter te begrijpen, omdat beelden aspecten kunnen oproepen die moeilijk onder woorden te brengen zijn. Zo kunnen foto’s en kaarten fungeren als gesprekstarters en leiden tot gelaagde verhalen over alledaagse praktijken, emoties en de betekenissen die mensen aan ruimtes en plaatsen geven.

Er zijn verschillende visuele onderzoeksmethoden. Hieronder lichten we er enkele kort toe.

Photo elicitation is een methode waarbij je foto’s of ander visueel materiaal gebruikt tijdens interviews om reacties en gesprekken uit te lokken. Je kunt hiervoor bestaand visueel materiaal gebruiken, zoals brochures, websites of ruimtelijke plannen. Je kunt ook zelf foto’s maken en deze aan de respondent voorleggen. Wanneer je de foto’s selecteert of maakt op basis van bestaande theorieën en concepten uit je onderzoek, werk je theory-driven. Tot slot kun je respondenten als mede-onderzoekers betrekken en hen vragen om zelf foto’s te maken. Je bespreekt deze foto’s vervolgens tijdens een interview. In dat geval gebruik je de beelden om vanuit de ervaringen en perspectieven van de respondenten nieuwe inzichten te ontwikkelen; dit noemen we data-driven.

De walk along of go along methode is een vorm van etnografisch veldwerk waarbij de onderzoeker deelnemers vergezelt tijdens hun dagelijkse routines en activiteiten in hun vertrouwde omgevingen. Het is een hybride vorm van participerende observaties en interviews en kan eventueel gecombineerd worden met ‘auto-photography’ (foto-walk). Anders dan interviews in een statische setting, maakt de go-along het mogelijk om ervaringen, gedragingen en betekenissen direct in context te bestuderen. De methode geeft onderzoekers toegang tot verschillende dimensies van plaatsgebonden ervaring, zoals de perceptie van de fysieke omgeving, de sociale architectuur van buurten, de omgang met anderen, en de emotionele en biografische verbindingen met plekken. Door letterlijk mee te lopen, kunnen subtiele observaties en spontane opmerkingen van deelnemers worden vastgelegd die anders verborgen zouden blijven. De data zijn rijk, maar gefragmenteerd (observaties, gesprekken, omgevingsdetails) en vragen om intensieve interpretatie. Voor een bachelor thesis is het vanwege deze complexiteit dan ook geen aanbevolen methode.

Photovoice is een participatieve onderzoeksmethode die deelnemers uitnodigt om met foto’s hun perspectieven en ervaringen vast te leggen. Deze methode is bijzonder geschikt om subjectieve en vaak impliciete betekenissen van plekken zichtbaar te maken, omdat beelden emoties, herinneringen en verhalen oproepen die in gesprekken moeilijk te verwoorden zijn. Het is een geschikte methode om een gemeenschap te betrekken in een onderzoeksproject en maakt het mogelijk dat mensen de ervaringen met en de zorgen over hun leefomgeving kunnen vastleggen en bespreken. Door zo’n visuele vorm in te zetten, wordt het onderzoek minder talig gemaakt wat mensen uit kwetsbare doelgroepen en kinderen kan helpen om hun ervaringen te delen. Het stimuleert kennisuitwisseling, bevraagt kritisch bestaande narratieven (bv. city-marketing) en bereikt vaak ook beleidsmakers en planners.

Mental mapping is een methode om inzicht te krijgen in hoe mensen (bewoners, gebruikers, bezoekers, ondernemers) hun omgeving waarnemen, onthouden en betekenis geven. Het gaat dus niet om een objectieve, geografische kaart van een buurt of stad, maar om een subjectieve, cognitieve kaart die laat zien hoe iemand de wereld om zich heen ordent en ervaart.

De mental map wordt meestal gecombineerd met gesprekken waarin duidelijk wordt wat de respondent echt belangrijk vindt. Een voordeel van de methode is dat het de participanten veel tijd geeft om na te denken over hun antwoorden. Een mogelijk nadeel is dat sommige mensen zich geïntimideerd voelen of wellicht niet in staat zijn een kaart te maken/ in te vullen. In zo’n geval kun je de mental map ook samen met de participant maken.

Er zijn verschillende manieren om een mental map te tekenen. Je kunt participanten vrij laten tekenen of ze een bestaande kaart verder laten invullen. In beide gevallen kun je kiezen voor een digitale kaart of juist een fysieke kaart (papier en pennen/potloden). Je kunt elk individu een eigen map laten maken, maar je kunt er ook een groepsproces van maken. In de literatuur kom je veel alternatieve termen tegen voor mental maps, zoals sketch maps, cognitive maps, soft maps en perceptual maps.

Verder lezen:

Kusenbach, M. (2003). Street phenomenology: The go-along as ethnographic research tool. Ethnography, 4(3), 455–485

Hees, S. van, K. Horstman, M. Jansen, D. Ruwaard (2017) Photovoicing the neighbourhood: Understanding the situated meaning of intangible places for ageing-in-place. Health & Place 48, 11-19.

Gieseking, J. J. (2013). Where we go from here: The mental sketch mapping method and its analytic components. Qualitative Inquiry, 19(9), 712-724.

Veel studenten vinden het leuk en interessant om zelf data te verzamelen en willen daarom graag interviews afnemen. Toch is het niet verstandig om je methode op voorhand te kiezen omdat je het verzamelen van data leuk vindt. Laat je probleemstelling leidend zijn en zorg ervoor dat je onderzoeksvragen en methoden logisch op elkaar aansluiten. Daarnaast willen we ‘overonderzoek’ en ‘onderzoeksmoeheid’ voorkomen.

Stel jezelf daarom eerst de volgende vier vragen: 1. Kan je onderzoeksvraag beantwoord worden met het gebruik van al bestaande datasets of een combinatie van bestaande data/methoden? 2. Is jouw casus al veelvuldig onderzocht? Zo ja, kan je overonderzoek vermijden door bestaande data te gebruiken? 3. Zijn er ethische dilemma’s of overwegingen om af te zien van primaire dataverzameling? 4. Als er dan toch reden is om zelf primaire data te verzamelen, dan is het belangrijk dat er sprake is van wederkerigheid.

  • Er moeten voldoende mensen bevraagd worden om te komen tot valide uitkomsten in het geval van enquêtes of kwalitatieve interviews.
  • Bij interviews met experts en sleutelpersonen bereid je deze interviews grondig voor en vraag je naar informatie die een aanvulling vormt op al reeds beschikbare bronnen. Interviews zijn niet bedoeld om ‘even snel’ inzicht te krijgen in een (deel)onderwerp.
  • Bij observaties is het risico van onderzoeksmoeheid veel kleiner. Ook hier moet je er echter voor zorgen dat de verzamelde informatie zowel voldoende kwalitatief is — onder andere afhankelijk van de kwaliteit van je observatieschema — als voldoende omvangrijk. Let daarbij op het aantal observaties en zorg voor een goede spreiding over verschillende locaties en tijdstippen, zodat je de onderzoeksvragen kunt beantwoorden.

Binnen de opleiding SGPL maak je kennis met mixed-methods onderzoek. Dit houdt in dat je verschillende onderzoeksmethoden en typen data combineert binnen één onderzoek. Daarbij gebruik je bewust meerdere methoden om gebruik te maken van de sterke kanten van verschillende, complementaire benaderingen. Zo kunnen kwalitatieve en kwantitatieve methoden elkaar aanvullen: waar de ene methode bepaalde inzichten biedt, kan de andere juist andere aspecten van een onderzoeksvraag belichten.Volgens John Gargani kunnen we het als volgt definiëren: “A mixed-methods evaluation is one that establishes in advance a design that explicitly lays out a thoughtful, strategic integration of qualitative and quantitative methods to accomplish a critical purpose that either qualitative or quantitative methods alone could not.” (zie Running Hot and Cold for Mixed Methods: Jargon, Jongar, and Code | EvalBlog )

Bij het ontwerpen van een mixed-methods onderzoek moet je verschillende aspecten zorgvuldig overwegen. Het is daarbij belangrijk om onderscheid te maken tussen mixed methods, combined methods en het simpelweg stapelen van methoden. Bij mixed methods combineer je kwalitatieve en kwantitatieve methoden en data op een doelbewuste manier, waarbij de verschillende methoden elkaar aanvullen en samen bijdragen aan het beantwoorden van je onderzoeksvragen. Bij combined methods combineer je verschillende methoden, maar hoeft er geen sprake te zijn van een systematische integratie van kwalitatieve en kwantitatieve data.

Het gebruik van meerdere methoden maakt je onderzoek niet automatisch beter. Het simpelweg verzamelen van verschillende soorten data of het uitvoeren van meerdere kleine deelonderzoeken noemen we ook wel het ‘stapelen’ van methoden. Dit levert niet vanzelf een valide onderzoeksopzet op. Iedere methode die je gebruikt, moet je zorgvuldig uitvoeren en laten voldoen aan de eisen en randvoorwaarden die voor die specifieke methode gelden. Kies daarom alleen voor meerdere methoden als elke methode een duidelijke functie heeft binnen je onderzoeksontwerp en bijdraagt aan het beantwoorden van je onderzoeksvragen.

Daarom zijn er meerdere aspecten die je moet overwegen in

  • Hoeveel methoden combineer je? Kies alleen methoden die een duidelijke bijdrage leveren aan het beantwoorden van je onderzoeksvragen.
  • Voer je de verschillende methoden tegelijkertijd of na elkaar uit? Bepaal of de resultaten van de ene methode richting geven aan de volgende methode.
  • Hoe verhouden de methoden zich tot elkaar? Bepaal welke methode(n) het grootste gewicht krijgen binnen je onderzoek.
  • Wanneer en hoe integreer je de resultaten? Denk vooraf na over hoe je de resultaten van de verschillende methoden met elkaar in verband brengt.
  • Hoe verdeel je de werkzaamheden binnen je onderzoeksteam? Bepaal of iedereen met alle methoden werkt of dat je de verschillende methoden onder de teamleden verdeelt. Zorg er in dat laatste geval voor dat je de resultaten en werkwijzen goed op elkaar afstemt.
  • Heb je voldoende tijd en vaardigheden? Mixed-methods onderzoek vraagt doorgaans meer tijd en verschillende onderzoeksvaardigheden. Ga na of je voldoende ervaring hebt met alle methoden die je wilt gebruiken en hoeveel tijd het kost om eventuele ontbrekende vaardigheden te ontwikkelen.
  • Gaat de combinatie niet ten koste van de diepgang? Het combineren van kwalitatieve en kwantitatieve methoden kan verschillende perspectieven opleveren, maar vraagt ook tijd en aandacht. Bedenk daarom of de meerwaarde van de combinatie in jouw onderzoek opweegt tegen het risico dat je beide methoden minder diepgaand kunt uitvoeren.
  • Zijn de methoden inhoudelijk en wetenschapsfilosofisch verenigbaar? Denk na over de achterliggende opvattingen over wat de werkelijkheid is (ontologie) en hoe je kennis over die werkelijkheid kunt verkrijgen (epistemologie). Niet alle methoden vertrekken vanuit dezelfde uitgangspunten. Vraag je daarom af of en hoe deze uitgangspunten binnen jouw onderzoeksontwerp met elkaar te verenigen zijn.

Vertrek altijd vanuit je onderzoeksvraag en bepaal welke methode of methoden daar het beste bij passen. Vervolgens kun je nagaan of het meerwaarde heeft om verschillende methoden te combineren. Een belangrijk voordeel van mixed-methods onderzoek is dat je verschillende methoden kunt inzetten om een verschijnsel vanuit meerdere perspectieven te onderzoeken. Dit wordt ook wel triangulatie genoemd.

Triangulatie betekent dat je meerdere databronnen of methoden gebruikt om een vollediger begrip te krijgen van het fenomeen dat je onderzoekt. Deze benadering kun je gebruiken om de validiteit en de kwaliteit van je onderzoek te waarborgen.

Er zijn meerdere manieren waarop je kunt trianguleren in onderzoek (zie ook: uit OO, gebaseerd op Denzin, 1978):

  • Door meerdere verschillende methoden (methodentriangulatie) te gebruiken om data te verzamelen over hetzelfde fenomeen. Bijvoorbeeld door interviews, observaties en foto’s van hetzelfde fenomeen te combineren.
    • Within method, waarbij je twee kwalitatieve methoden combineert, bijvoorbeeld interviews en observaties of juist twee kwantittieve methoden.
    • Between/across methods door kwalitatieve en kwantitatieve methoden te combineren. Bijvoorbeeld interview met survey resultaten.
  • Door met meerdere onderzoekers samen te werken in het verzamelen van data of analyse. Bijvoorbeeld door de transcripten van interviews door meerdere onderzoekers te laten coderen.
  • Door meerdere theorieën te gebruiken om je data te interpreteren. Bijvoorbeeld door elke verschillende theorie apart te testen.
  • Door meerdere verschillende databronnen te gebruiken om zo meerdere perspectieven op hetzelfde fenomeen te krijgen. Bijvoorbeeld, het interviewen van meerdere verschillende individuen of groepen (families en vertegenwoordigers van een gemeenschap). Je kunt ook data op verschillende tijdsmomenten verzamelen om zo verschillende aspecten van hetzelfde fenomeen in kaart te brengen. Of data te verzamelen op verschillende locaties om zo je resultaten te bevestigen.
  • Door data-analyse. Gebruik verschillende manieren om dezelfde data te analyseren. Bijvoorbeeld door inductief én deductief te werk te gaan.

De term triangulatie wordt het meest gebruikt bij het combineren van methoden (de eerste manier uit het lijstje hierboven). Bij methodentriangulatie vergelijk je de resultaten van de ene methode met die van een andere methode. Zo kun je nagaan in hoeverre verschillende methoden tot vergelijkbare of juist verschillende bevindingen leiden. Dit helpt je om je resultaten vanuit meerdere invalshoeken te beoordelen. Met andere woorden, dezelfde onderzoeksvraag wordt aan de hand van minimaal twee methoden beantwoord.

Niet elk mixed-methods onderzoek leidt daarom per definitie tot triangulatie. Soms is er bijvoorbeeld sprake van facilitair onderzoek, waarbij de ene methode in dienst staat van de andere methode.  Een voorbeeld is een kleinschalig kwalitatief onderzoek ter voorbereiding van een grootschalige survey. Vaak is er bij mixed-methods onderzoek ook sprake van complementair onderzoek waarin met verschillende methoden verschillende onderzoeksvragen worden beantwoord.