Logo Universiteit Utrecht

Academische Vaardigheden Sociale Geografie en Planologie

Structuur

Structuur aanbrengen

Schrijven is een proces in twee fasen. Eerst moet je voor jezelf de boodschap helder krijgen. Dat gaat meestal niet vanzelf vanwege de grote hoeveelheid informatie die je tot je hebt genomen. Door een concepttekst te schrijven, schep je orde in die chaos. Pas als de inhoud helder is, ga je nadenken over de vorm van je boodschap.

Probeer die twee fasen bewust uit elkaar te houden. Als je dagelijks in de UB achter de computer kruipt in de hoop dat de woorden komen, kom je bedrogen uit. Neem ook tijd om inspiratie op te doen. Dikke kans dat je die niet opdoet terwijl je naar een Word-bestand staart. Heinze Oost Oost, H. (1995). Hoe schrijf ik een betere scriptie. Een nieuwe methode voor het schrijven van scripties en andere teksten. Amsterdam / Antwerpen: Contact (1995, p. 86) schrijft daarover: probeer niet tegelijkertijd na te denken, te schrijven en te redigeren. Schrijvers die de direct-goed-methode gebruiken leveren slechtere teksten af dan schrijvers die in fasen werken (p. 80).

 

De meeste teksten zijn onderverdeeld in hoofdstukken. Die hoofdstukken staan niet los van elkaar, maar zijn verbonden door een figuurlijke rode draad. Om die scherp te krijgen voor auteur en lezer zijn wegwijzers nodig. Zet de eerste en laatste alinea van elk hoofdstuk hiervoor in.

Begin met een overzicht van de informatie die komen gaat. Het is niet nodig om hiervoor een aparte paragraaf te maken. Je begint gewoon direct onder de hoofdstuktitel, dus vóór de eerste paragraaf. Sluit af met een alinea met de belangrijkste conclusies van het hoofdstuk en een vooruitblik op het volgende hoofdstuk. Een goede inleidende of afsluitende alinea legt de lezer eveneens het verband uit tussen de verschillende deelonderwerpen. Zie de voorbeelden hieronder.

Voorbeeld

Inleidende alinea

Niemand staat voor zijn plezier in de file. Desondanks zijn de fileberichten op de radio niet korter geworden de afgelopen jaren. In dit hoofdstuk staan we stil bij de ernst van fileproblematiek op de Nederlandse wegen. Vervolgens worden één voor één de negatieve gevolgen van files besproken. Met behulp van cijfers en kaartmateriaal onderzoeken we de vraag: wat is nu eigenlijk het probleem?

Afsluitende alinea

Kortom, Nederland kampt met ernstige fileproblematiek. Naast ergernis bij forensen, gaan files gepaard met inkomstenverlies voor bedrijven die afhankelijk zijn van just-in-time levering. Voor fileproblematiek bestaan verschillende oplossingen. Deze komen in het volgende hoofdstuk aan bod.

Het middenstuk van een hoofdstuk is vaak opgedeeld in paragrafen. Door een hoofdstuk op te knippen is de tekst beter te volgen en vindt de lezer sneller benodigde informatie.

Een paragraaf is weer onderverdeeld in alinea’s. De vuistregel is dat elk deelonderwerp een eigen alinea krijgt. Meestal is de eerste zin de kernzin. De andere zinnen hangen samen met de kernzin.

Een enkele zin vormt zelden een alinea en een alinea van meer dan tien regels is fors. Als je een nieuwe alinea begint, springt de tekst in (een ‘tab’). Een groepje alinea’s wordt voorafgegaan door een paragraaftitel, een tussenkopje of een witregel.

Met signaalwoorden maak je het verband tussen alinea’s duidelijk.

Denk aan woorden zoals ‘ten eerste’ of ‘bovendien’ als je een opsomming noemt; ‘in tegenstelling tot’ als je een contrast wilt aankaarten of ‘aan de andere kant’ als je naast een pluspunt ook een minpunt wilt noemen (of andersom).

Voorbeeld

Stel je schrijft een paragraaf over de verschillende functies van stadslandbouw, dan kun je de paragraaf onderverdelen in een vier alinea’s over de bijdrage van stadslandbouw aan meer voedselveiligheid, lager verbruik van fossiele brandstoffen, educatie over gezond eten en verbeterde leefbaarheid in een buurt.

 

Soms kom je interessante informatie tegen die niet netjes aansluit op de rode draad van je tekst, denk aan een casus ter illustratie van de hoofdgedachte of een weergave van recent gepubliceerde conclusies van een onderzoekscommissie. Dan biedt een kader uitkomst. In het kader plaats je een korte tekst die de lezer niet noodzakelijkerwijs hoeft te lezen om de hoofdtekst te begrijpen. Wel verwijs je in de tekst naar het kader. Zo wordt het verband tussen de hoofdtekst en het kader duidelijk voor de lezer. Elk kader heeft een nummer en een titel.

Uiteraard krijgt elk hoofdstuk en elke paragraaf een titel. Eventueel gebruik je daarnaast tussenkopjes, bijvoorbeeld als dat een paragraaf overzichtelijker maakt. Tussenkopjes nummer je niet.

Voor het schrijven van titels en kopjes geldt een aantal vuistregels:

  • Achter een titel of kop komt nooit een punt.
  • De hiërarchie tussen hoofdstuk-, paragraaftitel en tussenkopje moet blijken uit de lay-out. Varieer in lettergrootte en normaal of cursief schrift.
  • Vermijd inhoudsloze titels en koppen.
Voorbeeld

Gebruik in een tekst over de Ecologische Hoofdstructuur liever het tussenkopje ‘Weerstand uit de agrarische sector’ dan ‘Negatieve reacties’. Of in een tekst over gentrification in Berlijn: ‘Aantrekkelijke woonlocatie voor de YUP’ in plaats van ‘Verklaringen’. De eerstgenoemde kopjes geven de lezer een veel duidelijker beeld van wat er komen gaat. Als je dergelijke koppen onder elkaar zet, weet je waar de tekst in hoofdlijnen over gaat.

  • Hoofd-, paragraaftitels en tussenkopjes mogen nooit hetzelfde zijn. Dan klopt de hiërarchie niet meer.
  • Verwijs nooit naar een titel of kop.

 

Dan nog even dit: overschat niet hoeveel je per dag op papier krijgt. Een gemiddelde student produceert anderhalve pagina tekst per dag (Oost, 2002, p. 5 Oost, H. (2002). Een onderzoek rapporteren. Amersfoort: ThiemeMeulenhoff.).